Zeeverhalen


Op de dijk

Ik zie een meisje in gedachten staan, boven op een dijk

Ze kijkt uit over het water, zo ruim, over de wijde zee

Horizon, en daar, op dezelfde hoogte het hemelrijk

In de verte een zeilschip, in haar droom vaart zij mee

In haar gedachten ziet ze een wereld zo rijk en schoon

Zo mooi en groen, voor eenieder ruimte om te leven

Was het maar waar die mooie wereld en geen droom

Geregeerd door vrouwen, leven zonder angst en beven

Dat is waar ze van droomt, te leven in liefde en harmonie

Als eenieder deze gedachte met haar zou willen delen

Zou haar droom uit kunnen komen, zou jij? Wie o wie

Zou deze gedachten willen koesteren, met o zo velen

De beste stuurlui staan aan wal

Willem had altijd een droom hij wilde graag naar zee. Als kind liep hij al langs de havenkaai te zwerven. Hij zwierf langs de kades van het oostelijk havengebied in Amsterdam. Daar sprak hij iedereen aan wat hem een bekend persoon voor dat gebied maakte. Net als elk ander kind ging Willem gewoon naar school. Maar dat duurde niet lang. School was niets voor hem. Taal was te moeilijk en rekenen te ingewikkeld. Zijn school was de kaai, leren was er niet bij. Hij was, zoals dat in de volksmond wordt genoemd, simpel. Maar kletsen kon Willem wel. Door de jaren heen leerde hij alles over scheepstypen en hun scheepsnamen. 

Door zijn omzwervingen leerde hij ome Joop kennen. Ome Joop was een oude bootsman bij de KNSM, die zich over hem ontfermde, hij mocht die simpele jongen wel. En leerde de jonge knaap splitsen en knopen en dat was iets wat Willem wel beviel. In de buurt waar hij woonde leerde iedereen hem kennen. Zijn bijnaam was ‘Willem de stuurman’. Hij had maar een grote droom, dat was varen op zee. Iedereen, behalve Willem, wist dat het eigelijk nooit zou gaan gebeuren. 

De jaren verstreken en Willem zijn jonge jaren gingen voorbij. Hij kreeg van een zeeman een oude pet met een gouden rand en van een gepensioneerde stuurman een jas met gouden strepen. Daarmee liep hij trots langs de schepen en groette iedereen en alles. Iedereen reageerde ook op hem, omdat ze Willem allemaal kenden. Behalve de bemanning van de buitenlandse schepen, die kende hem niet. Dit deerde Willem totaal niet want hij sprak hen gewoon aan. Met handen en voeten voerde hij hele gesprekken, in alle talen die je je maar kon bedenken. Hij vertelde aan iedereen dat hij Engels, Duits en Spaans sprak.

Later verdwenen de zeeschepen uit het oostelijk havengebied en de oude bootsman ome Joop was niet meer. Daarom verplaatste Willem zijn wandeling naar het havengebied achter het Centraal Station. Op de steigers liggen altijd mooie witte Rijnpassagiersschepen aan boord waren toeristen vanuit alle windstreken op aarde. Willem sprak elke toerist die maar naar hem wilde luisteren aan. Met verhalen over de zee, waarvan hij altijd droomden maar de zee nooit had gezien. Nog altijd loopt Willem langs de schepen met zijn pet op en zijn stuurmansjas aan. Als het weer rustig is met de toeristen, vaart hij toch de hele dag. Korte stukjes, met de pont van zuid naar noord en weer terug, dat is alles wat Willem de stuurman in zijn leven zal varen. Het deert hem niet, hij is ‘de stuurman’,  de beste, maar hij staat meestal aan de wal.   

Cees de Baare

Thuis voor de Kerst

Tijdens de laatste twee weken van het jaar is Ruth vrij van school. Ruth is een meisje van 11 jaar en woont samen met haar vader, moeder en kleine broertje Thomas in een klein huisje op de buitendijk van een vissersplaats. Vanuit haar huis kan Ruth over de vissershaven, die beneden aan de dijk ligt kijken.

De vader van Ruth is visserman en vaart als schipper op de viskotter genaamd ‘Eben Haezer’. Hij heeft beloofd dat hij dit jaar met de kerst thuis zou zijn. Anders dan de andere jaren liggen de kotters wel vaker een week binnen. Zij zijn een week geleden vroeg in de ochtend uitgevaren. Ruth is die ochtend, voordat zij naar school ging, haar vader op de kop van de haven uit wezen zwaaien. Daarna is zij weer op haar fiets gesprongen om snel naar school te fietsten.

Tijdens het maandagochtend kringgesprek vertelde zij vol enthousiasme dat haar vader eindelijk met de kersdagen eens thuis zou zijn.
Vanaf haar slaapkamer kan zij net niet de hele vissershaven overzien. Maar van de vliering, waar zij regelmatig via een gammel trappetje heen gaat, kan zij door het kleine dakraampje net de hele haven overzien. Daar is de ligplaats waar de kotter van haar vader regelmatig afmeert.

Maar er is nog steeds geen glimp van de kotter te zien. Als haar moeder haar roept voor een kopje thee, komt zij een beetje verdrietig naar beneden. Beteuterd komt zij de keuken binnengelopen waar haar kleine broertje haar enthousiast begroet. “Wat kijk je beteuterd schat?”  “Ja mam, papa had beloofd met de kerst thuis te zijn, maar ze zijn nog steeds niet binnengelopen mam!” “Nou ja schat wij hebben nog een paar dagen, wees gerust het kan nog steeds. Maar het is nogal slecht weer waar papa aan het vissen is lieverd, dus je weet het maar nooit. Ik weet zeker dat hij alles op alles zal zetten om op tijd binnen te lopen. Maar op zee zijn de elementen de baas Ruth en dat kan geen mens veranderen.” “Dat snap ik ook wel mam, maar het zou zo gezellig zijn als hij er dit jaar bij is.”
De moeder van Ruth stelt voor om haar dikke winterjas maar aan te trekken om dan nog even wat inkopen te doen en even rondsnuffelen voor wat kerstcadeautjes. Dat spreekt haar wel aan. Met zijn drieën gaan zij op pad.

Net als zij de deur uit zijn gaat de telefoon, de display geeft aan dat het de vader van Ruth is. Haar vader spreekt het antwoord apparaat in.
Hij weet te vertellen dat het wat later wordt, omdat er in de buurt waar zij nu varen een Duits visserschip in de problemen is gekomen. En zij gaan op de May Day af. Zij waren in de Duitse bocht al met vliegend stormweer onderweg naar de thuishaven. Maar zijn teruggegaan omdat zij het dichtstbij het onfortuinlijke visserschip zijn.

Na een paar uur komen Ruth haar moeder en kleine Thomas weer thuis. Het eerste wat haar opvalt is dat het lampje van het antwoordapparaat knippert. Zodra zij alle drie hun jassen opgeborgen hebben drukt de moeder van Ruth op het knopje van het antwoordapparaat, en horen zij het relaas van de schipper van de ‘Eben Haezer’. Ruth kijkt teleurgesteld naar haar moeder. “Luister schat, als papa in nood zou zijn hopen wij toch ook dat andere schepen hen te hulp schieten.” Daar kan zij geen weerwoord op geven.
Die avond gaan zij, zodra de kleine Thomas op bed ligt, de kerstboom, die oom Herman voor hen in de kamer heeft gezet, optuigen. Moe maar voldaan is het hen gelukt om hun huis in de kerstsfeer om te toveren. Daarna gaan ze naar bed en vallen in een diepe slaap.

De dagen die volgen is er regelmatig contact met de ‘Eben Haezer’. Zij hebben samen met de Duitse kustwacht de onfortuinlijke kotter veilig voor de Kerst in Kiel binnengebracht. Maar het weer is zo bar en boos dat men de storm af moet wachten voor zij naar huis kunnen stomen.
De Kerst nadert, maar het gaat niet lukken om terug te varen.
Maar wat Ruth niet weet is dat de bemanning op kerstavond vanuit Kiel op de nachttrein zijn gestapt en onderweg naar Nederland zijn. Op het moment dat de moeder van Ruth op de eerste kerstdag haar en haar broertje roept om aan tafel te komen voor het kerstdiner, gaat de deurbel. Ruth kijkt haar moeder aan en vraagt. “Wie kan dat nu zijn.” “Kijk jij maar even lieverd.” Als zij de voordeur opent staat er iemand aan de deur helemaal verstopt achter een paar mooi ingepakte dozen. Zij kan niet zien wie het is. Maar als zij hoort, “ben je daar prinses”, geeft zij een gil van blijdschap.
“Papa, je bent thuis voor de kerst!” 

Blogberichten

Flessenpost nieuws en moois van de seasides in je inbox