Zeeverhalen

De oude stoomsleepboot (deel 1)

Een oude zeeman loopt te kuieren langs de Westerschelde op de dijk bij Knuitershoek Zijn kapiteinspet staat schuin op zijn inmiddels witte haar. Zijn pijp hangt schuin in zijn rechtermondhoek. Zo nu en dan neemt hij en trekje waardoor de rook door de wind langs zijn getaande huid in de klep van zijn pet omhoog kringelt. Turend in westelijke richting ziet hij in de verte iets ongewoons voor deze tijd. Hij ziet in de verte een scheepje naderen met een dikke zwarte rookwolk uit haar schoorsteen. De oude Wannes zoals de oude kapitein heet, fronst zijn voorhoofd en knijpt zijn ogen toe om een helderde blik te krijgen.‘Het kan toch niet waar zijn, denkt hij, is dit nou mijn oude scheepje of zie ik dat donders verkeerd?’
Wannes versnelt zijn pas richting de west om er zeker van te zijn dat het zijn scheepje zou kunnen zijn. Hij hoopt maar dat zij niet stuurboord uit zal gaan in de richting van de sluizen van Terneuzen. Maar gelukkig houdt zij haar koers verder stroomopwaarts de Westerschelde op. Hij blijft turen en wordt elke mijl dat zij dichterbij komt zekerder dat het zijn oude stoomsleepboot is. Zijn oudje zoals hij haar altijd liefelijk noemt, waar hij de wereldzeeën mee heeft bevaren. Zij is jaren geleden, nadat hij haar heeft verkocht, naar Duitsland vertrokken. De oude zeesleper zou worden gerestaureerd door een echte stoomfanaat. De koper is een inmiddels gepensioneerde eigenaar van een kleine scheepswerf in Hamburg. Zijn zonen hebben de werf overgenomen en hij zocht in die tijd een hobby nadat hij was gestopt met werken.
Het leuke is dat de sleepboot WESTERSCHELDE waar Wannes jaren mee heeft gevaren. Op de werf van de koper zijn grootvader was gebouwd. Zij was in 1910 als de stoomsleepboot OOSTZEE te water gelaten. Wannes’ zijn oude zeemanshart gaat steeds sneller kloppen als de sleper zijn kant op komt. Nadat hij haar alweer 15 jaar geleden heeft verkocht is hij haar uit het oog verloren. Maar nu, ja nu komt zij steeds dichterbij. Als ze dwars van hem in de richting van Antwerpen vaart ziet hij dat zij dichter langs de wal komt varen. Dwars van Wannes gaat ze langzamer varen en gaat de deur van de mooi gelakte houtenstuurhut open en staat er een oudere schipper in de deuropening. Wannes hoort het belletje van de bediening van de koppeling rinkelen. Hij ziet in een flits dat zij haar oude scheepsnaam op een zwart ijzeren bord met koperen letters als OOSTZEE ziet glimmen op de verschansing.
De schipper houdt haar gaande te hoogte van Wannes en de roept naar hem. ‘Ik had u al met de verrekijker zien staan, wat leuk, is alles goed met u?’ Wannes knikt en complimenteert de beste man met de schoonheid van zijn oude zee slepertje WESTERSCHELDE.
De schipper durft niet dichter bij de wal te komen en omdat beide mannen hun gehoor minder is geworden. Roept hij door een oude koperen scheepshoorn naar Wannes dat hij onderweg is naar Antwerpen. ‘U bent van harte welkom om in Antwerpen aan boord te komen kijken kapitein!’ Wannes steekt zijn arm omhoog en knikt om kenbaar te maken dat hij hem heeft verstaan. Met het zo bekende zachte gesis van de stoommachine vaart de OOSTZEE verder langs de oever van de Westerschelde.
Wannes blijft aan de oever staan tot de OOSTZEE uit het zicht is verdwenen. Daarna loopt hij op zijn gemak naar zijn kleine huisje in het dorp. Zodra hij de voordeur opent hoort hij de huistelefoon al rinkelen. Als hij de telefoon opneemt hoort Wannes dat hij zijn zoon Teun aan de lijn heeft. Teun is kapitein op een van de havensleepboten in de regio. ‘Zeg vaders, u raadt nooit wat ik net op de Schelde tegenkwam?’

Wannes begint te lachen, ‘nou mijn jongen dat weet ik denk ik wel, jij bent mijn oude bootje tegengekomen.’ ‘Hoe weet u dat nou vaders?’ ‘Nou mijn jongen ik stond op de dijk toen zij passeerden en heb nog even op een afstandje met de eigenaar staan praten. Maar dat ging niet zo lekker, omdat hij niet te dicht naar de wal durfde te komen. Hij heeft mij met een scheepshoorn toegeroepen dat hij naar Antwerpen gaat en dat ik welkom ben om een kijkje aan boord te komen nemen.’ ‘Nou vaders, dat komt mooi uit mijn week aan boord zit er morgen op. Ik zal proberen uit te vissen waar zij af zal meren, dan gaan wij samen een kijkje nemen, hoe vindt u dat?’ ‘Dat lijkt mij heel mooi mijn jongen dan zie ik je morgen wel verschijnen.’ Wannes pakt die middag even zijn oude fotoalbums uit de kast en bladert ze op zijn gemakje door. Met het doorbladeren komen al zijn herinneringen van die mooie perioden met al de mooie zeereizen weer naar boven. Hij zit met een grote grijns naar de foto’s te kijken en zoekt er een paar uit, om ze af te laten drukken voor de nieuwe eigenaar. Hij kan niet wachten totdat zijn zoon hem de volgende dag op komt halen.

Cees de Baare

Zwaar weer

Wannes, een van geboorte Zeeuwse visserman, is met zijn zoon Herman op de Noordzee aan het vissen. Samen bemannen ze de MARIA, een garnalenkotter met visnummer IJM 202.

Zoals elke dag zijn ze rond middernacht vertrokken uit de Vissershaven van IJmuiden waar zij in de 30er jaren vanuit Breskens heen zijn verhuisd. Na het verlaten van de pieren van IJmuiden varen ze de Noordzee op om de Noordzee af te schuimen naar de vruchten van de zee. Tijdens het verlaten van de pieren valt het Wannes al op dat het stevig waait. “Maar ach”, denkt hij, “mijn MARIA is een houten kotter van klein formaat, maar wel zeer zeewaardig. Een gemiddelde zeeman van de koopvaardij zou jaloers zijn op de zeewaardigheid van dit scheepje.”
Als zij de zuidpier vrij zijn gevaren zet Herman, die aan het roer staat, koers in zuidelijke richting. Ze hebben tijdens het vertrek besloten hun geluk maar eens om de zuid te gaan beproeven. De afgelopen weken hebben ze in de noord gevist, maar de besommingen zijn mager geweest. Vader en zoon zitten in het kleine stuurhuis en discussiëren of ze met deze wind wel dicht onder de kust kunnen vissen.
De discussie laait op naarmate de wind toeneemt en het weerbeeld sterk verslechtert. De wind is gedraaid van pal west naar noordnoordwest en neemt elk kwartier in kracht toe. Wannes en Herman besluiten om met de kop in de wind te gaan liggen en het weer af te wachten. Vader en zoon hebben alle weersomstandigheden op de Noordzee wel meegemaakt, van vliegend stormweer tot zware onweerbuien en alles wat daar tussenin zit. Maar de MARIA gedraagt zich onder alle weersomstandigheden als een vis in het water op de soms grillige Noordzee. Ze liggen al uren met de kop op de wind te steken. Van vissen is geen spraken, dat zou alleen maar fout gaan met dit weer.
Tegen de ochtend zien Wannes en Herman dat zij dwars van Scheveningen zitten. Nu pas horen zij via de scheepsradio wat er allemaal gaande is in het Zeeuwse. Door de zware noordnoordwesten storm zijn er verschillende dijken op de Zeeuwse eilanden doorgebroken. Hele stukken van de geboorteprovincie van de mannen zijn ondergelopen, met alle gevolgen van dien. Zij wonen en varen wel vanuit IJmuiden, maar zijn geboren en getogen Zeeuwen, echte Bressiaanders zoals zij zich noemen.
Achter de MARIA zien ze twee silhouetten van kotters hun richting op komen stomen. Herman pakt de koperen verrekijker en roept naar zijn vader, “het zijn oom Piet en oom Bram van Bresjes!”

Wannes pakt de verrekijker van zijn zoon over en tuurt nar de twee silhouetten. Hij moet snel zijn omdat de kotters door de enorme hoge zeegang maar even op de toppen van de golven te zien zijn. Vervolgens verdwijnen zij in het geheel in de dalen van de hoge golven.

“Waarachtig!” roept Wannes, het zijn inderdaad Piet en Bram.” Herman pakt direct de hoorn van de scheepsradio en stemt af op de juiste frequentie. Hij hoort zijn ooms tegen elkaar roepen dat Wannes met de kop op de wind ligt te steken. “Ze hebben ons al gezien vader” zegt Herman.

Wannes zit in zijn hoekje van het stuurhuis en knikt alleen maar met zijn hoofd en schuift zijn alpinopet nerveus heen en weer. “Het is goed fout in het Zeeuwse mijn jongen, anders komen Bram en Piet de noord niet in gestoomd.” Wannes begint steeds sneller op zijn pruimtabak te kauwen, waarna hij de overvloed van het bruine vocht met grote precisie in zijn kwispedoor weet te mikken. Herman draait nog maar een zware Brandaris en steekt hem op tijdens het gesprek met zijn ooms via de scheepsradio.  Ze weten te vertellen dat ze Zeeland niet meer binnen durven te lopen. Geen van beiden heeft ooit zulke hoge zeeën langs de Zeeuwse kust meegemaakt. Daarom hebben ze besloten de noord in te stomen en te proberen Scheveningen binnen te lopen. Maar ze hebben net als Wannes al gezien dat dit vanwege de onder water staande korte pieren van Scheveningen ook geen optie meer is. De Scheveningse pieren zijn door de hoge golven helemaal verdwenen, ze zien in de dalen van de golven af en toe de lichtopstanden. Maar de pieren bieden geen bescherming meer voor de drie kotters om de haven binnen te lopen.

Na overleg tussen de drie broers wordt er besloten dan maar naar IJmuiden op te stomen en daar proberen binnen te lopen. Bram, de oudste broer van Wannes en Piet, stelt voor om in gebed te gaan voor de zielen in Zeeland die door de ramp zijn getroffen. Maar ook om een behouden terugreis naar IJmuiden te vragen, en zo geschiedde.
Uiteindelijk staan de meeste visserlui, wanneer zij zich bevinden op de oneindige uitgestrekte zee, dicht bij God en vragen Hem regelmatig om raad en bescherming zowel bij goed als bij slecht weer. Zij realiseren zich dat zij maar nietig zijn op die weidse Noordzee. Gezamenlijk slingeren en stampen de drie garnalenkotters de noord in om een poging te wagen de pieren van IJmuiden binnen te lopen.
Ter hoogte van Zandvoort worden de drie kotters door de kustwacht aangeroepen. Het wordt hen verboden om de pieren van IJmuiden binnen te lopen, zij moeten buiten maar met de kop op de wind gaan liggen steken om beter weer af te wachten. Volgens de kustwacht is het veel te gevaarlijk met deze zeegang, men zou onherroepelijk op de pieren terecht komen.
Wannes begint weer met zijn alpinopet te schuiven en mompelt, “zeker geen zeelui.” Hij neemt de hoorn van de scheepsradio van zijn zoon over en begint met een kwaaie kop in het Zeeuws de reden te vragen waarom zij zelf de verantwoording niet kunnen dragen om binnen te lopen. In eerste instantie vraagt de beambte om het bericht te herhalen, waarop Wannes zijn betoog nogmaals via de scheepsradio ten gehore brengt. Zijn broers Bram en Piet hebben ieder in hun eigen stuurhuis het grootste plezier om het betoog van hun jongere broer Wannes. Zij weten als geen ander dat je Wannes nooit iets moet verbieden, en als men dit wel doet dan kan men erop rekenen dat hij het toch doet. Blijkbaar zit er bij de beambte iemand die Zeeuws verstaat, omdat de beste man terugkomt met de woorden: “Wij vinden het niet veilig en daarom gebeurt het niet, als u het toch doet kunt u op een proces-verbaal rekenen.”
Wannes brabbelt nog iets onverstaanbaars terug en het gesprek is ten einde. De broers Bram en Piet roepen naar elkaar “volgens mij gaan wij IJmuiden binnen en Wannes gaat voorop’.‘
“Zo is het maar net” antwoordt Wannes, “volg mij maar, en als ik het zeg moeten jullie alles, maar dan ook alles uit jullie scheepsmotoren halen wat erin zit.” Herman krijgt van zijn vader de opdracht om de zuidpier ruim genoeg te passeren, en dan op de kop van de Noordpier aan te varen. Daarna moet hij vlak voor de Noordpier hard stuurboord uit gaan en zal het scheepje door de wind en de stroming tussen de pieren worden gezet. Wannes gaat de kleine machinekamer in en geeft de tweecilinder Kromhout flink op zijn donder, hij haalt er alles uit wat erin zit. Herman heeft nog nooit zoveel kracht uit de motor voelen komen. Hangend uit het openstaande stuurhuisraampje tuurt hij naar de zuidpier, hij weet dat hij die ruim moet passeren. Zijn gezicht, kleding en de vloer van het stuurhuis zijn door de overkomende zeeën kletsnat geworden. Op dat moment landt er, uit het niets, een grote spierwitte Albatros op het dek van de MARIA. De zeemeeuw fladdert weer omhoog en landt op de garnalenketel die nog geen meter van Herman aan dek af staat.
De zeemeeuw kijkt Herman recht in de ogen en geeft met zijn vlerken aan welke kant hij zijn roer moet leggen. Herman doet dit zonder enige twijfel. Omdat zijn vader hem op één van de vele dagen die ze samen aan boord waren heeft verteld, dat elke ziel van een verdronken zeeman als een spierwitte zeemeeuw op aarde terugkeert. Zij beschermen zo alle zeelieden op alle zeeën over de hele wereld. De MARIA en de twee kotters achter haar hebben nog nooit zo verschrikkelijk geslingerd. Maar na een paar flinke halen denkt Herman de zeemeeuw te horen krijsen: “Hard stuurboord! seun, hard stuurboord!!!” Hij draait het roer zo snel hij kan naar stuurboord. De drie scheepjes maken tussen de koppen van de pieren verschrikkelijke klappen, maar ze varen hevig slingerend toch behouden de pieren van IJmuiden binnen. Nadat ze in de luwte van de wal en het Forteiland zijn gekomen stapt Wannes de stuurhut binnen en slaat zijn zoon als compliment een paar keer stevig op zijn schouder. En hij kijkt tevreden achterom naar de twee kotters van zijn broers, die keurig achter hem aan varen.
Bij het passeren van de Semafoor worden ze weer opgeroepen door de kustwacht. Ze varen zo kort op elkaar, dat Bram en Piet zien dat hun broer Wannes met zijn arm naar de radio gaat en een uitschakelende beweging maakt. Vervolgens zien ze de bekende brede glimlach op het gezicht van Wannes verschijnen. Bij het binnenvaren van de Vissershaven passeren ze de hele vissersvloot, alle afgemeerde vissersschepen trekken aan de scheepshoorn bij het passeren van de drie kotters als teken van compliment.
Nadat de drie kotters veilig aan de houten steiger achter in de haven liggen afgemeerd en de motoren zijn stilgezet heerst er een serene rust, op het loeien van de wind na. De bemanning van de kotters komen aan boord van de MARIA en danken gezamenlijk de Heer voor de behouden binnenkomst. Herman staat er ook tussen en na het slotwoord ‘amen’ zegt hij “vergeten jullie de spierwitte zeemeeuw niet?” De rest van de bemanning kijkt hem vragend aan. “Laat maar”, zegt Herman, “dat leg ik jullie later nog wel eens uit.” Waarop hij de trap van de steiger opklimt. Hij loopt via de steiger naar de wal en komt twee dienders tegen die hem vragen of hij de schipper van de MARIA is. Herman schudt ontkennend zijn hoofd en geeft de heren wel even mee dat zij de schipper rustig moeten benaderen. Dat doen ze en ondanks dat Wannes het bespottelijk vindt, krijgt hij toch een proces-verbaal aan zijn broek. Hij blijft er gelaten onder en nodigt de dienders uit om een kop vers gezette koffie te drinken, waar zij graag op ingaan.

“Vertel eens heren, jullie moeten weten hoe de toestand in Zeeland op dit moment is?” “Wij weten nog niet alles schipper, maar het is een regelrechte ramp, er zijn al vele doden te betreuren.” vertelt een van de dienders. “Er is dringend hulp nodig, er moeten veel hulpmiddelen die kant op, maar het kan alleen per schip aangevoerd worden en voorlopig alleen over de binnenwateren.” Bram en Piet gaan de wal op en lopen regelrecht naar het huis van Wannes waar ze door zijn vrouw Maria worden begroet. Zij vertelt dat het een ramp van grote omvang is, maar dat Breskens nog geen grote problemen heeft, al staat het water wel bovenaan de zeedijk. Wannes gaat informeren of zij kunnen helpen met het verschepen van de hulpmiddelen. Het duurt niet lang voordat hij de juiste personen te pakken heeft en men is zeer blij met het aanbod van de drie broers. “Maar zijn de masten van uw schepen niet te hoog om binnendoor naar Zeeland te varen?” “Dat moet nooit een probleem zijn” zegt Wannes. Hij verlaat het kantoor en loopt onmiddellijk naar huis waar hij zijn broers en de rest van de bemanningsleden aantreft. Wannes geeft Herman opdracht ervoor te zorgen dat alle drie de kotters voldoende brandstof en water aan boord krijgen en voor minimaal een week proviand. “Wij gaan naar het Zeeuwse!” roept hij.

Terug aan boord halen zij als eerste het vistuig van boord. Nadat alleen de masten en een giek aan de voormast nog aan dek staan. De achter masten worden losgemaakt en aan de wal gelegd. De voormasten kan men niet zomaar weghalen, maar dat is in de ogen van Wannes geen probleem. Op vier meter van het dek wordt er een zaag ingezet en worden de masten afgezaagd. Op de afgezaagde stomp wordt het toplicht teruggezet om aan de juiste navigatieverlichting voor de binnenvaart te voldoen. ‘Als wij terugkomen, ligt er wel weer en nieuwe mast op ons te wachten, dat heb ik al geregeld’ zegt Wannes tegen zijn broers. Herman staat aan de andere zijde van de haven met proviand en roept naar zijn vader over te steken om het aan boord te halen. Ondertussen groeit de hoeveelheid hulpmiddelen omdat de plaatselijke reders en visserlui alle kruideniers in de omgeving leegkopen om met de drie kotters mee te geven naar het rampgebied. Als ze aan de overkant van de haven zijn afgemeerd zijn de Zeeuwse broers even niet zo stoer meer als zij eruitzien. Zij zijn ontroerd door alle hulp die ze van hun collega’s en andere personen rond de haven krijgen. Nadat de visruimen van alle drie de kotters halfvol met hulpmiddelen zijn geladen, vertrekken ze onder grote belangstelling vanuit IJmuiden via de Zuidersluis in de richting van Amsterdam.
In Amsterdam moeten zij zich melden op een van de steigers achter het Centraal Station. Daar is in alle haast door het Rode Kruis een overslagpunt is ingericht. De dames en heren van het Rode Kruis kijken hun ogen uit als de luiken van de visruimen worden geopend. “Helaas”, zegt Bram, “wij kunnen niet zo heel veel meer meenemen, dit is ons allemaal in IJmuiden geschonken.” De nog beschikbare ruimte in het visruim wordt opgevuld met dekens en kleding en aan dek worden wat roeiboten gehesen. Nadat alles aan boord is worden de trossen losgegooid en vertrekken de drie kotters binnendoor naar Zeeland om daar de mensen in nood te helpen.
Wannes heeft tijdens zijn jonge jaren op de binnenvaart gevaren en weet als geen ander de weg over de Nederlandse kanalen en de rivieren. Onderweg hebben ze voldoende bekijks, het gebeurt niet vaak dat er garnalenkotters met afgezaagde masten over de binnenwateren varen. Aangekomen in het rampgebied worden de kotters in een haven afgemeerd en de kleine bootjes met buitenboordmotoren in het water gehesen. De bemanning wordt vervolgens in groepjes van twee verdeeld en gaan aan de slag. Ze verlenen dagen achter elkaar de nodige hulp in het rampgebied. Maar zodra zij in de avond aan boord van de kotters komen laten ze één voor één een traantje vallen, ze hebben in deze zware periode zoveel verschrikkelijk dingen gezien! Als hun hulp niet meer nodig is varen ze terug naar de haven van Breskens. Daar kan de bemanning voor het eerst sinds lange tijd weer eens een volle nacht slapen. De volgende dag varen ze achter elkaar over de bladstille Noordzee terug naar IJmuiden. Daar liggen drie op maat gemaakte masten te wachten die door verschillende IJmuidense bedrijven belangeloos aan boord worden geplaatst. Nadat het vistuig weer aan boord is en alles gereed is, varen de drie kotters gezamenlijk de pieren van IJmuiden uit. Twee kotters varen in zuidelijke richting en een in noordelijke richting, zoals elke dag op jacht naar de vruchten van de zee.

Cees de Baare

De beste stuurlui staan aan wal

Willem had altijd een droom hij wilde graag naar zee. Als kind liep hij al langs de havenkaai te zwerven. Hij zwierf langs de kades van het oostelijk havengebied in Amsterdam. Daar sprak hij iedereen aan wat hem een bekend persoon voor dat gebied maakte. Net als elk ander kind ging Willem gewoon naar school. Maar dat duurde niet lang. School was niets voor hem. Taal was te moeilijk en rekenen te ingewikkeld. Zijn school was de kaai, leren was er niet bij. Hij was, zoals dat in de volksmond wordt genoemd, simpel. Maar kletsen kon Willem wel. Door de jaren heen leerde hij alles over scheepstypen en hun scheepsnamen. 

Door zijn omzwervingen leerde hij ome Joop kennen. Ome Joop was een oude bootsman bij de KNSM, die zich over hem ontfermde, hij mocht die simpele jongen wel. En leerde de jonge knaap splitsen en knopen en dat was iets wat Willem wel beviel. In de buurt waar hij woonde leerde iedereen hem kennen. Zijn bijnaam was ‘Willem de stuurman’. Hij had maar een grote droom, dat was varen op zee. Iedereen, behalve Willem, wist dat het eigelijk nooit zou gaan gebeuren. 

De jaren verstreken en Willem zijn jonge jaren gingen voorbij. Hij kreeg van een zeeman een oude pet met een gouden rand en van een gepensioneerde stuurman een jas met gouden strepen. Daarmee liep hij trots langs de schepen en groette iedereen en alles. Iedereen reageerde ook op hem, omdat ze Willem allemaal kenden. Behalve de bemanning van de buitenlandse schepen, die kende hem niet. Dit deerde Willem totaal niet want hij sprak hen gewoon aan. Met handen en voeten voerde hij hele gesprekken, in alle talen die je je maar kon bedenken. Hij vertelde aan iedereen dat hij Engels, Duits en Spaans sprak.

Later verdwenen de zeeschepen uit het oostelijk havengebied en de oude bootsman ome Joop was niet meer. Daarom verplaatste Willem zijn wandeling naar het havengebied achter het Centraal Station. Op de steigers liggen altijd mooie witte Rijnpassagiersschepen aan boord waren toeristen vanuit alle windstreken op aarde. Willem sprak elke toerist die maar naar hem wilde luisteren aan. Met verhalen over de zee, waarvan hij altijd droomden maar de zee nooit had gezien. Nog altijd loopt Willem langs de schepen met zijn pet op en zijn stuurmansjas aan. Als het weer rustig is met de toeristen, vaart hij toch de hele dag. Korte stukjes, met de pont van zuid naar noord en weer terug, dat is alles wat Willem de stuurman in zijn leven zal varen. Het deert hem niet, hij is ‘de stuurman’,  de beste, maar hij staat meestal aan de wal.   

Cees de Baare

Ik vaar met mijn schuit 

op wilde en kalme stromen 

al vaart een ieder mij voorbij 

te loever of te lij 

Ik hoop er ook te komen

Blogberichten

Flessenpost nieuws en moois van de seasides in je inbox